Hilversum Zuidwest kent vier wijken. Eén kleine, maar tot de verbeelding sprekende wijk is het Rode Dorp. Onze vice-voorzitter Nico Dunnebier kent alle verhalen en heeft er in zijn jeugd ook van alles meegemaakt. Het duurt dan ook niet lang voordat hij echt op zijn praatstoel zit.
Met enige regelmaat bladert hij door het boekje: "Ons Hilversum", geschreven door Cor Bruijn. Hij kreeg het aan het eind van zijn lagere school uitgereikt door het Hoofd der School. Het boekje over de ontstaans- en wordingsgeschiedenis van Hilversum was geschreven in opdracht van de gemeente en uitgereikt aan alle kinderen aan het eind van hun lagere schooltijd. Weten waar je woont, waar je vandaan komt.
Nico steekt van wal: “Kijk, over de ligging van Hilversum. Bijna alle verkeer uit de omtrek ging over 'de stad'. Niet Hilversum, maar Naarden. Het was de enige echte belangrijke stad in de regio, gelegen aan de Zuiderzee (nu IJsselmeer).
Tussen Amsterdam en Utrecht lag in de omgeving verder 's-Graveland. Ter hoogte van het Spanderswoud ligt nu nog steeds (een deel van) de 'Weg van 's-Graveland naar Utrecht'. Wie uit het ‘t Goy (oude schrijfwijze voor het Gooi) naar Amsterdam wilde, liep naar Naarden en boekte daar een plek op het beurtschip dat van Naarden naar de grote handelsstad Amsterdam zeilde; een hele reis.
Dus bedacht men in de regio, dat er een trekvaart moest komen. Heb je als stad een trekvaart, dan krijg je meer handel en nijverheid. Je kunt dan met behulp van paarden en ook menskracht zogenaamde trekschuiten over het water trekken van de ene naar de andere plaats.
De bestuurders uit Naarden werden dan ook echt nerveus toen de ‘s Gravelandse Vaart (met een verbinding naar de Vecht) rond 1650 een aftakking kreeg met de Beresteinse (trek)vaart naar Hilversum.
Het Rode Dorp was toen nog een woestenij, maar met het haventje dat daar kwam voor de trekvaart, ontstond er leven in de brouwerij. En ja, daarmee ook de eerste onrust waar het Rode Dorp altijd om bekend heeft gestaan.
Hilversum in die tijd was nog een gehucht, omgeven door zand en riet. De aanleg van de Beresteinse Vaart en de veerdienst naar Utrecht brachten voorspoed. Het ging daarbij met name om de producten van de Hilversumse wevers, maar ook bijvoorbeeld om turf. De plek waar nu het Rode Dorp ligt was dus vroeger een belangrijk transport station.”
Turf en textiel. Kun je iets meer over vertellen over het ontstaan van de weverijen in het gehucht Hilversum?
“Eerst even over die turf: Hilversum was een heidedorp, met veel analfabeten, achtelijk en straatarm. Het lag ook heel geïsoleerd met aan de westkant de Vecht en naar het zuidwesten uitgebreide moerassen en veengebied. Dat veen (ingedikte plantenresten) werd afgegraven en gedroogd en daarmee kreeg je een prima brandstof, turf. Zo zijn ook de Loosdrechtse Plassen onstaan.
Ook aan de oostkant, richting de Eem, lag moeras. Daar liggen ook de stuwwallen uit de ijstijd waardoor een hoge zandbult is ontstaan. Aan de oostkant ervan is het dorpje Hilversum ontstaan, beschut tegen de westenwind. Het was een echt klein dorpje dat zich uitstrekte van de Kerkbrink beneden aan de Vaartweg tot aan het Marktplein (Langgewenst).
Wat was de reden om hier weverijen te gaan beginnen?
“De Romeinen (een paar honderd jaar na Chr.) vonden deze streken niet interessant, er was niks om te beginnen. De beschutting tegen wind en water maakte het wel tot een bewoonbare plaats. Men begon bomen te kappen en het land open te leggen voor akkerbouw en een beetje veeteelt. ’t Goy was arm; de mensen leefden vrij geïsoleerd; voordeel was, dat men daardoor redelijk veilig was voor allerlei gespuis en bendes. Het vee bestond voor het overgrote deel uit schapen, graseters. Ze graasden op de heide waarbij ze ook de jonge loten van kleine boompjes opaten. Dus dit in combinatie met de bomenkap om ter kunnen wonen, leverde een open gebied op. En geloof het of niet, het barstte hier toen van de wolven!
Mensen moesten hun vee dus beschermen. Men bouwde van die lange boerderijen, dank aan latere Saksische boerderijen. De dieren werden s'avonds in huis genomen; veilig en lekker warm. De bewoners sliepen boven, de dieren beneden.
Het leuke van schapen is, dat ze naast melk en vlees ook wol geven. En met die wol kon je verder aan de slag. Ja, je schoor je schapen en de wol kon je spinnen tot grote kluwen. En daarmee kon je weer producten maken: kleding, textiel. Het was huisvlijt. Ook de akkerbouw leverde niet veel op: rogge, boekweit en wat granen. Zoals je weet zit de boekweitkorrel nog steeds in het wapen van Hilversum.
Maar goed, die schapen hadden het hier goed naar hun zin. Dus dat werden er meer en meer. Toch ontstonden de weverijen hier op een andere manier. De wol werd heel lang naar Naarden getransporteerd. Maar ja, dat betekende toch dat je met die wol lang onderweg was. En dus lag het voor de hand dat men dit later in Hilversum zelf ging doen. Het was nog thuisarbeid, het hele gezin werkte mee. Pas veel later en met name in de industriële revolutie kwamen er stoommachines en daarmee echte bedrijfjes met weefgetouwen. En die namen dan weer arbeiders in dienst.
In oorsprong waren het kleine bedrijfjes. Je vond ze in alle hoeken van Hilversum met overal pleintjes en kernen. De 's-Gravelandse weg, de Torenlaan, de Vaartweg toen Moleneind, de Havenstraat, Langestraat, Herenstraat, het komt allemaal bijeen. Ook verderop, zoals Langgewenst, de Markt, de Groest met allemaal kleine kromme straatjes, moeilijk afgebakende terreinen en armetierige huisjes.
En toen waren er spinners die wat slimmer werden, een grotere loods bouwden met een weefgetouw. Zo kwam het dat die spinners hun spinwol naar die wevers brachten. Ja, en daar werden lange werkdagen gemaakt, van 12 tot 16 uur.
Het was ook de tijd van de kinderarbeid. Kinderen verdienden maar enkele centen.”
Maar blijkbaar was de bevolking van Hilversum zelf onvoldoende voor deze weefindustrie, want op een gegeven moment was er dus behoefte aan uitbreiding van capaciteit?
“Ja, Hilversum was ongeveer 150 jaar geleden een klein dorp van 5-6.000 mensen. Armetierig, met een slechte gezondheid. En Amsterdam was een hel. Er was geen riolering ; het stonk er, mensen deden hun behoefte op straat. Wie het zich kon veroorloven, ontvluchtte daarom de stad. Deze rijke burgers weken uit naar 's-Graveland en bouwden er hun mooie huizen aan de vaart. Ook zij hadden weer personeel nodig. Ook hier was sprake van kinderarbeid: Meestal betrof het dienstmeisjes van 11-12 jaar, die helaas ook vaak misbruikt werden.
Naar 's-Graveland reizen betekende ook weer de noodzaak van transport terug. Eerst met de koets waarin je behoorlijk door elkaar werd geschud. Met de industriële revolutie en de stoommachine ontstond de behoefte aan een station. Industriëlen en kooplieden wilden comfortabel en vlot van Hilversum naar het grote Amsterdam kunnen reizen. Al spoedig volgden aftakkingen naar Amersfoort en Utrecht. Dat was al op de plek waar het huidige station ligt.
Het station lag dus tegen het dorp aan, aan de oostelijke kant.. Het bracht veel bedrijvigheid. Hotel Jans verrees, toen heel slim, want er kwamen handelslui. Die konden daar vergaderen en overnachten. Dus zo is Hilversum gegroeid door de goedkope grond aan de oostkant. Het dorp zelf, dat bleef eigenlijk een beetje achter.
Gaandeweg ontwikkelde de industrie zich in Oost meer en meer. Vanwege de band met de scheepvaart besloten ondernemers hier zendapparatuur te gaan maken. Goedkope arbeidskrachten gingen aan de slag in de inkt- en verffabriek.
Later kreeg Oost ook een gasfabriek die veel vervuiling met zich meebracht. En de Wybertjesfabriek, Rotor, chemische fabrieken, gieterijen. Daardoor kreeg 'Over het spoor' een hele slechte naam.
In het centrum kon je dan in het voorjaar horen: O, we krijgen mooi weer, "want je ruikt 'Over het spoor'". Met oostenwind had je dat. Ja, dus dat is ‘de kwade reuk’ die er op Hilversum geplakt werd.
Dat heb je ook gehad met het Rode Dorp. De industriële ontwikkeling bracht de uitvinding van de stoommachine. Produktieverhoging leidde tot de vraag naar meer personeel en vervoer van producten. Maar pakweg 125 jaar geleden waren de uitvalswegen van Hilversum zoals de Utrechtseweg en de Larenseweg nog zandwegen, platgereden karresporen. Datzelfde gold onderaan de Vaartweg, de Loosdrechtseweg met op de grens de Hondenbrug. Hier lag ook Villa Maria, een kuuroord aan de Taludweg. Er werden daar huizen gebouwd die met de zon konden meedraaien! Op de grens van Hilversum, aan het water, was rond 1850 een weeffabriek verrezen. De machines werden met stoom aangedreven. Daar had je water voor nodig dat je moest verhitten.
Handarbeiders zagen de industriële ontwikkeling als een bedreiging. Dat kennen we vandaag op andere niveaus nog steeds. Veel fabrieksarbeiders kwamen van buiten, uit het oosten van het land. Bij aankomst moesten ze dan door het centrum de Vaartweg omhoog lopen en vervolgens weer af. Maar waar je dat nu met je e-bike in tien minuten doet, betekende dat vroeger al gauw ruim een uur lopen. Vervolgens ging men dan tien, twaalf uur aan het werk en moest daarna weer terug. Er ontstond hierdoor behoefte aan woonruimte bij de fabriek. Een aparte wijk, aan de overkant van de zogeheten Hondenbrug.
Het werk bracht geld in het laatje waarmee deze arbeiders beter af waren dan de landarbeiders hier; tegelijkertijd bracht de industriële revolutie maatschappelijke onrust met zich mee. Die onrust was er dus ook in deze wijk. Het lag ten opzichte van Hilversum al vrij geïsoleerd en dat bleef het ook.
Door dat gebrek aan contact was er sprake van een zekere rivaliteit met 'het centrum'; er werd veel gezopen en dientengevolge waren er veel vechtpartijen. Dat is ook de reden dat er bij de Hondenbrug een politiepost werd ingericht. De post bewaakte als het ware de toegang tot het dorp, waar zo'n vierhonderd mensen woonden. Het onderkomen van de politiepost bestaat nog steeds; het huisje is verplaatst naar het Den Uylplein, gerestaureerd en huisvest – ook al decennia - een kapper.
Het Rode Dorp heeft dankt zijn naam overigens waarschijnlijk niet aan de fraaie huizen met hun rode dakpannen maar aan de afvalstoffen die vrijkwamen uit de ververij van de weeffabriek: rode verf. Je vindt nog een aantal van de oorspronkelijke huizen in bijvoorbeeld de Heidestraat, tegen de Loosdrechtseweg aan en in de Vossenstraat. De architect van het vernieuwde Rode Dorp was Dudok. Zijn handschrift kom je tegen in de kromme straten. Kromme straten breken het perspectief en maken de woonomgeving intiemer. En ja, de straten kregen hun mooie rode pannendaken!
Waar heeft de Hondenbrug eigenlijk zijn naam aan te danken?
“De eerste, houten brug diende er dus toe om vanuit het centrum naar het (Rode) Dorp te komen omdat hier de weverij/ververij stond. Die brug werd betaald met de opbrengst van nee, niet de wegenbelasting, maar van de hondenbelasting! Denk eraan, veel mensen hadden een hondenkar, waar de hond voorop liep om de kar te trekken. Je mocht op zo’n kar niet zitten. Gebeurde dat, dan kreeg je een boete.
Later is vanwege de toenemende drukte en zwaarder verkeer, de houten brug vervangen door een stenen. Ja, ook een ontwerp van Dudok. De Hondenbrug is altijd berucht geweest. Ieder jaar was er wel een grote brand met Oud en Nieuw. Jongens uit het dorp en ook uit het centrum verzamelden zich daar. Alle kerstbomen uit de omgeving werden daar, op de Loosdrechtseweg, vlak voor de brug massal in de fik gestoken. Het benzinestation aan de andere kant (de huidige Esso pomp) was er overigens al.
Die open plek was een soort niemandsland. ‘Over de Hondenbrug’ was het een soort vrijstaat. Die brand, de onrust, de relletjes, het was een traditie en net zoals vandaag de dag; er was voor vele duizenden (toen) guldens schade. Het lokte honderden mensen. En natuurlijk de politie en de brandweer.
“Ja, ik zal het eerlijk opbiechten: Het was gewoon leuk. Reuring. Maar geen geweld. Tja en dan de volgende dag: Het asfalt op die plek op de Loosdrechtseweg was compleet naar de gallemiezen. Overigens, nog steeds hoor, maar dan wel héél bescheiden! Helaas komt wijsheid pas met de jaren…” (Nico grinnikt).
“Ach ja, vroeger werden de bewoners uit het Rode Dorp in de krant uitgemaakt voor schorremorrie. Nu is het een het is een keurig net dorp. Af en toe verlang ik nog wel eens naar die opstandige tijd. Maar het is hier heerlijk wonen in Zuidwest. Ik hoop dat ik daar nog lang van mag genieten!”